Natuurwetenschap

In de huidige natuurwetenschap verdwijnt het wezen van de mens uit het zicht. Men zoekt met een overmacht aan techniek door te dringen in de materie (de wereld van het subatomaire) of de astronomische wereldruimte. De maat van de mens ontbreekt, doordat men als het ware buiten de mens om probeert de wereld te begrijpen. Rudolf Steiner legde het fundament voor een andere wetenschapsbeoefening. Uitgaand van fundamentele vragen naar de materie en naar het bewustzijn komt hij daarbij tot het beschrijven van drie nieuwe onderzoeksmethodes: de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie. De grondslagen van deze speciaal op de wetenschap toegesneden scholingsweg bestaan uit de goetheaanse fenomenologie en uit de studie van het filosofische hoofdwerk van Steiner, De filosofie van de vrijheid.

De mens zelf wordt daarbij, in ruimere zin dan impliciet in de meeste huidige natuurwetenschap, namelijk door de nadrukkelijke verdieping van het denken, voelen en willen, het keninstrument voor zijn omgeving. Hij wordt zich bewust van zijn verbondenheid hiermee. In tegenstelling tot de huidige, verondersteld waardevrije wetenschap ontstaat hieruit een wetenschap die in alle opzichten menswaardig is. De scholing van het denkvermogen en van de waarneming zijn als twee oefenwegen het uitgangspunt voor een even exact en streng methodisch werken als de gangbare natuurwetenschap die vereist voor het onderzoek van de zintuiglijke wereld. Met dit ideaal wil de antroposofische geesteswetenschap de andere wetenschappen verlevendigen en aanvullen, zonder hun resultaten te negeren of gering te schatten.

Goetheaanse fenomenologie

Goetheaanse fenomenologie noemt men de vorm van fenomenologie die teruggaat op Goethe en dus ver voor Edmund Husserl de fenomenologie als stroming in de filosofie grondvestte.

Goethe was behalve dichter en diplomaat ook natuurwetenschapper. Op het gebied van de plantkunde heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan, bijvoorbeeld zijn idee van de zogenaamde bladmetamorfose. Zelf beschouwde hij, zoals hij aan het einde van zijn leven tegenover Eckermann zei, zijn Farbenlehre belangrijker dan zijn dichtkunst. Echter, zijn ideeën op het gebied van licht en kleur werden door de wetenschap, met uitzondering van bijvoorbeeld zijn kleurencirkel en de simultaancontrastkleuren (zoals de gekleurde schaduwen), niet aanvaard. Goethes polemische opstelling tegenover Newtons Optics zal hierin zeker geen goed hebben gedaan. Een aantal wetenschappers was wel ingenomen met zijn onconventionele ziens- en werkwijze, zoals Oersted, Humboldt, Howard en Purkinje.

Rudolf Steiner werkte rond 1890 aan een heruitgave van Goethes natuurwetenschappelijke werk, verzorgde inleidingen, noten en commentaar. Nadien werkte hij Goethes natuurwetenschappelijke methodiek uit in onder meer Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung (Nederlandse vertaling: Waarnemen en denken).

Steiner was van mening dat Goethes methode de potentie had om de wetenschap uit het louter materialisme te bevrijden en zo te komen tot een wetenschap, die het spirituele niet uitsluit, maar dit juist haar plaats kan geven in het wetenschappelijk denken over de wereld en haar verschijnselen. In kort bestek is de werkwijze als volgt:

Waarneming: Het verschijnsel veelzijdig waarnemen, gebruikmakend van alle zintuigindrukken. Goethe had groot vertrouwen in de zintuigen: Die Sinnen trügen nicht (de zintuigen bedriegen niet). Vervolgens proberen het fenomeen in de herinnering even levendig weer op te roepen.

Proces: Het ontstaan van het verschijnsel als een proces in de tijd in beeld krijgen. Hiervoor is een vaardigheid vereist die Goethe exacte fantasie noemt.

Karakteristiek: Je zo in het verschijnsel inleven dat de karakteristieke gebarentaal gaat spreken. De dynamiek die zich in deze gestiek uitspreekt gaan zien.

Wezenlijke: Het unieke, essentiële van het verschijnsel gaan zien. Het fenomeen kunnen zien als de uitdrukking van een wezen.

Fenomenologie

Voor wie inzicht wil verwerven in verschijnselen, of het nu gaat om een natuurfenomeen of een verschijnsel op sociaal gebied, is er dus naast de reguliere wetenschappelijke methode de fenomenologische benadering. In allerlei werkgebieden van de antroposofische beweging is deze fenomenologie vruchtbaar gebleken en heeft die een grote vlucht genomen. Het gaat hierbij om de eerder al genoemde goetheaanse fenomenologie. Goethe was van mening dat we de zintuiglijke indrukken voor ‘waar’ mogen nemen. Kleur is bijvoorbeeld zoals het zich aan ons voordoet. De essentie van een kleur is echter moeilijk in woorden te vatten: leg een blinde maar eens uit wat rood is.

Problematischer is het gesteld met het oordeelsvermogen van de mens. Niet alleen zijn mensen behept met vooroordelen, die hen verhinderen de ware aard der verschijnselen te kunnen ervaren, ook is het denken onderhevig aan allerhande denkgewoonten, die onbewust worden gehanteerd om verschijnselen te interpreteren. Goethe drukte zich zeer kras uit: de zintuigen bedriegen ons niet, maar ons oordeel.

Hoe kan men dan op vruchtbare wijze tot inzicht in een verschijnsel komen? Door de waarneming met onbevangen aandacht te benaderen. Waarnemen zonder denken is eenvoudigweg onmogelijk, wel kan men het oordeel over de waarneming leren terughouden. Het gaat er in de fenomenologie om zo met een verschijnsel te leven dat het zijn eigen aard in het denken uitspreekt. Anders gezegd, willen we het geheim van een verschijnsel te leren kennen, dan kan het verschijnsel zelf ons leren hoe we erover dienen te denken. Dit kan door wat Goethe noemde innerlijke nabootsing. We moeten ons met ons denken en voelen inleven in het verschijnsel.

De essentie van een verschijnsel

De werkwijze van de fenomenologie laat zich vanuit vier stappen beschrijven: waarneming, proces, karakteristiek en essentie.

Wanneer in het voorjaar de bladeren aan bomen en struiken uit de knop komen dan lijkt het nieuwe leven van een goudglans omgeven. Bij nadere beschouwing blijken uitkomende knoppen naast het frisse groen ook rood in zich te hebben. Het rood naast het heldere voorjaarsgroen mengt zich van een afstand gezien tot een goudachtig geel, vooral wanneer het wordt beschenen door de zon. Op deze manier krijgt men zicht op het ontstaansproces van het ‘voorjaarsgoud’.

Vergelijkt men deze goudglans met het goud van de bladeren in de herfst, dan merkt men dat het voorjaarsgoud een heel eigen karakter heeft. Men merkt aan dit voorbeeld dat het proceskarakter van het verschijnsel in beeld komt door naar het ontstaansproces ervan te kijken. De karakteristiek van het fenomeen komt men op het spoor door te vergelijken en door zich in te leven in wat men door vergelijking vindt.

Hoe langer men zich op de geschetste wijze in zo’n verschijnsel verdiept, hoe meer men de essentie van het verschijnsel nader komt. Dit gaan zien van de essentie van een fenomeen noemde Goethe het zien van de idee van het verschijnsel in de verschijning. Dit was voor hem de ‘ware communie’, het samengroeien van mens en verschijning.

De fenomenologie kent een brede toepassing in tal van antroposofische werkgebieden. Of het nu gaat om als leerkracht zicht te krijgen op een leerling of als arts in een patiënt, of het gaat om een natuurverschijnsel als het voorjaarsgoud, overal werpt deze werkwijze vruchten af.

Meer informatie

Medische fenomenologie: Bolk's Companions

Louis Bolk Instituut: louisbolk.org

Embryologie: embryo.nl

Sterren en planeten: liesbethbisterbosch.org

Antroposofische gids in Nederland: antrovista.com

 

Antroposofische Vereniging
in Nederland

De Antroposofische Vereniging in Nederland is een levend geheel van mensen en activiteiten. Er zijn zo’n 50 ledengroepen en studiecentra in heel Nederland en een breed aanbod aan sociale en kunstzinnige activiteiten, zowel met openbaar karakter als in verenigingsverband.

Actualiteiten uit de vereniging  >